“Ik vind 9 van de 10 beesten vies” zeg ik tegen haar, als we het over spinnen hebben die zich in de tuin tussen de plantenpotten verstoppen. Maar terwijl ik het zeg, realiseer ik me: “Ik vind eigenlijk 11 van de 10 beesten vies.” Of eng. Maar meestal allebei. Alles wat kruipt, vliegt, zoemt, vier poten heeft of meer; ik moet er niks van hebben.
De hond van mijn schoonzus heeft een ontheffing maar andere beesten komen er hier in huis niet in. Geen spin verlaat het terrein levend. “Wat ben je voor dierenbeul, Steef” hoor ik je denken. Ja, dat begrijp ik. Maar ik ben er gewoon bang voor. “Het beestje is banger voor jou dan jij voor hem, hoor!” Ik krijg braakneigingen als ik die uitspraak hoor. Hoezo, heeft ie je dat verteld dan?! “Oeh daar komt Steef met haar grote slipper in maat 39,5!”
If it can fly, it should die…
Ik ben een zomermens, en ga goed op warmte. Liever 35 graden dan 15. Elke zweetdruppel op mijn bovenlip neem ik voor lief. Mij hoor je niet klagen, die twee – heel soms drie – maanden per jaar. Alleen al die verrekte k*tbeestjes; dat vind ik het enige nadeel. Ken je die sketch van de Britse komiek Michael McIntyre? Different ways to cope with bees and wasps…
Drie keer raden wie ik ben.
Wespen zijn echt k*tbeesten. Bloedje irritant. Ooit zei mijn ongedierteman (yep, die staat bij mij onder de speed dial) dat “elk diertje nut heeft”. Geloof ik best, maar leg mij uit wat voor nut wespen hebben. Bijen maken honing, dus daar loop ik ook hysterisch voor weg, maar dan denk ik nog “die doet iets nuttigs”. Hommels schijnen ook iets goed te doen met bloemen enzo, maar teeeeering wat zijn die groot en maken een herrie. Om over die verrekte hoornaars nog maar te zwijgen. Geen idee wat die doen, behalve mij de stuipen op het lijf jagen. Wespen vreten dan misschien muggen, maar ik denk dat ik voor een mug net iets minder bang ben dan voor zo’n geel-zwart loeder.
Mijn ongedierteradar ruikt bij het kleinste begin van een wespennest de onraad al. Niemand gelooft me op dat moment “Steef, stel je niet aan, het is één wesp.” Oke, één wesp is geen wesp, maar zodra er ergens eentje terug komt, inkruipt of er twee dooie op mijn vensterbank op kantoor op zolder liggen, weet ik al genoeg. Dat begin ik te speuren en heb ik het binnen no time gevonden. De laatste keer zei de ongedierteman zelfs “Jeetje, dat je dit hebt gezien.” Jong, denk je dat ik rust voordat ik het heb gevonden?!

Ook op vakantie staan mijn ogen altijd op scherp; die kakkerlak in Spanje heb ik al zes meter voordat jij doorhebt dat je er mogelijk op gaat staan, gespot. En toen we ooit uitchecken uit een huisje, deelde ik bij de receptie nog even mee, dat ze vooral het kozijn even moesten controleren. Trust me, I know. Het is dat ik mezelf ervan had verzekerd dat ze niet naar binnen kwamen, anders had ik er niet twee nachten geslapen.
Honden hebben baasjes, katten hebben personeel
Dat ik voor honden regelmatig een straat omloop, wist je waarschijnlijk al. Ik ben ook totaal niet gevoelig voor puppies. Want het wordt groot, weet je wel. En ik moet altijd een uitwijkstoep hebben; zodat ik kan oversteken als me er eentje tegemoet komt. Een stoep met aan de ene kant huizen en aan de andere kant gras? Ga ik heel slecht op.

Maar goed, dat terzijde. We hebben namelijk ook een arrogante buurtkat. Geen idee waar die eigenlijk thuis hoort maar zo nu en dan balanceert die over de rand van de schutting, pist tegen de voordeur (of legt er iets ergers neer) of loopt door de tuin alsof het zijn (of haar) domein is. En dan durf ik uiteraard niet naar buiten want ik vertrouw hem voor geen meter dus sta ik heel boos kijkend op het raam te bonken. Vervolgens kijkt hij me aan met een blik die wil zeggen “Had je wat?!”
Als ik boven zit te werken, of naar kantoor ben, dan zie natuurlijk niet wat er in de tuin gebeurt. Dus in het begin had ik het niet eens door. Maar het viel me wel op, dat de (lichte) kussens van de tuinstoelen op een gegeven moment vol zaten met donkere haren. En niet van mij. We hebben een overdekt terras, dus niks zo fijn als je die kussens na een lange zomeravond gewoon buiten kunt laten liggen en niet telkens hoeft op te ruimen. Ja, niet als er ’s nachts een kat van iemand anders op gaat liggen natuurlijk.
Dat mensen een huisdier nemen, is hún keuze. Maar dat het beest niet binnen kan blijven is hún verantwoordelijkheid en hoort niet MIJN probleem (want kattenpis – of erger – stinkt) te zijn.
En dan hebben we nog die lompe vogels; ik schrik me elke keer weer lam als er eentje over de overkapping of de dakkapel loopt te stampen als een olifant met platvoeten op naaldhakken. Niet grappig, want het klinkt alsof ze de hele boel kapot maken. Inmiddels weet ik wat het is, maar ook hier heb ik menig nacht van wakker gelegen (mijn man overigens niet hoor) en extern advies voor ingewonnen. Lees: weer de ongediertebestrijder gebeld.
Nee, natuur en dieren zijn niet aan mij besteed. Dus de uitnodiging van de Postcodeloterij voor een bijzonder dagje uit met Natuurmonumenten laat ik graag aan me voorbij gaan. Bel me maar wanneer ik een kijkje achter de schermen mag komen nemen bij Miljoenenjacht of een dagje op pad mag met Winston. Die praat tenminste terug en lijkt me meer Steefproof.





